Wambelbambel en de wambelbambels

Wambelbambel

In Duyndal, een onbeduidend gehucht aan de westkust van het eiland Ofelië, woonde eens een kunstenaar, die Wambelbambel heette. Vind je ‘Wambelbambel’ een gekke naam? Nou, dan ben je niet de enige! Iedereen in Duyndal vond het een gekke naam. Wandeldandel, Ombelbombel, Gespeldekespel… dát waren normale West-Ofelische namen. Zo heette bijna iedereen. Maar Wambelbambel? Het moest niet gekker worden, mopperden de mensen in Duyndal. Zij mochten hem niet al te graag – want iemand met zo’n gekke naam, die kon niet deugen, dachten ze.

De kunstschilder Wambelbambel leefde een teruggetrokken leven in een klein huisje dat hij zelf had gebouwd tegen een grote duin. Hij was eenzaam noch alleen, want zijn oude hond Milost hield hem gezelschap. Iedere ochtend als hij wakker werd en iedere avond voor hij slapen ging, klom hij samen met Milost de duin op en keek naar de zee aan de andere kant van de duin. Want de zee vond hij erg mooi. ’s Ochtends zag hij de zon graag als een waterige okergele bal boven de horizon uitpiepen. ’s Avonds leken de golven wel vlammen, door de lange oranje stralen van de ondergaande zon achter hem.

De rest van de tijd was hij aan het schilderen in zijn kleine huisje, waarin één kamer als atelier was ingericht – het was een klein atelier, maar groot genoeg voor hem. Het liefst schilderde hij de zee. Die kon hij wel niet zien vanuit zijn huisje, maar omdat hij iedere dag twee keer de duin opklom wist hij toch prima hoe de zee eruit zag, en hij schilderde die dan ook na uit z’n hoofd.

Wat de mensen uit Duyndal ook mochten denken: Wambelbambel was een goed mens. En ondanks zijn gekke naam deugde hij wel degelijk – o, ja.

Op een ochtend toen hij zijn dagelijkse klim naar de duintop had gemaakt, zag hij in de verte op het strand iets vreemds liggen. Het was langwerpig en groot en kokervormig. Vanaf waar hij stond, leek het op een grote witte vis. Maar het kon ook wel een in kranten gewikkeld boordkanon zijn. Er spoelden daar vaak dingen aan die van schepen afgevallen waren, en Wambelbambel ging dan altijd kijken of er iets tussen zat dat hij kon gebruiken. Zo vond hij eens een hele partij linkerschoenen – maar daar had hij dus niks aan zolang er niet ook een partij rechterschoenen aanspoelde, en dat was tot op heden nog niet gebeurd. Ook had hij eens een kist met verftubes gevonden, en daar kon hij natuurlijk wél iets mee. Sterker nog: tot op de dag van vandaag schilderde hij regelmatig met verf afkomstig uit die kist.

Wambelbambel en zijn hond Milost daalden van de duintop af en liepen het lange strand op – het was net eb, dus het strand leek eindeloos. Bij het witte langwerpige ding aangekomen, zag hij dat het geen vis was, en ook geen boordkanon. Het was een soort van langwerpige rol. Zoiets als een opgerold vloertapijt, maar dan dunner. Of een rol muurbehang, maar dan dikker. Wambelbambel hoefde niet lang na te denken over wat het was: een canvas, een schildersdoek… “Mooi!”, riep hij uit. “Die kan ik goed gebruiken!” En hij tilde de rol op en legde die op z’n schouders. Dat bleek nog niet zo makkelijk: het was een groot en zwaar doek, veel groter en zwaarder dan de doeken waar hij normaal op schilderde. Het kostte hem dan ook de nodige moeite om het canvas de duin op en weer af te tillen, maar na een uur of anderhalf had hij de rol toch in zijn atelier liggen.

Pas toen hij het doek uitrolde zag hij hoe groot het werkelijk was. Het was enorm! “Dit past nooit op mijn schildersezel”, zuchtte Wambelbambel, terwijl hij zich op het hoofd krabde. “Wat zeg ik? Dit past nooit in mijn atelier!” Inderdaad bleek het doek veel breder te zijn dan de breedste muur van zijn atelier breed was. Er zat maar één ding op: hij moest de muur die zijn atelier van de woonkamer scheidde eruit halen. Zo gezegd zo gedaan. Maar toen nog kon hij het doek niet aan de muur ophangen. Ook de binnenmuren van de keuken en de slaapkamer en zelfs het toilet sloopte Wambelbammel er met een grote sloophamer uit. Milost keek vanuit zijn mand argwanend toe. Uiteindelijk was het kleine huisje met al z’n kleine, maar voor hem precies-groot-genoege kamertjes, veranderd in een klein huisje met maar één grote kamer, die maar net groot genoeg was om het doek in op te hangen. Tegen de achterwand, die tegen de duin aangebouwd was, want daarin zaten toch geen ramen.

Het was al avond geworden en de zon daalt in Duyndal altijd vroeg achter de duinen. Voor schilderen was het nu te laat; en na zijn vaste avondklim klom Wambelbambel daarom zijn bed maar in. Echt moe was hij nog niet, en hij lag nog lang te piekeren over wat hij op het doek zou gaan schilderen. “De zee!”, concludeerde hij diep in de nacht, toen zelfs de krekels in het helmgras al waren gaan slapen, en tevreden sliep ook Wambelbambel in.

Opgewekt begon Wambelbambel de volgende morgen aan zijn werk (na zijn ochtendwandeling natuurlijk). Hij begon zoals hij altijd begon: met wat potloodschetsen op het doek. In lange halen schetste hij de golven die hij voor zich zag. Het hoefde niet precies, en ook niet netjes, maar zo had hij een idee wat en waar hij ongeveer schilderen moest. Toen begon hij aan het schilderen zelf. Hij kneep een hele tube blauwe verf leeg op zijn schilderspalet. Die zou hij wel nodig hebben, want als je de zee wil schilderen op zo een groot doek, moet je veel, heel veel blauwe verf hebben.

Hij besloot bovenaan te beginnen, en klom dus op een trapje. Zijn hoofd moest hij scheef houden om het niet te stoten tegen het plafond. En daar begon Wambelbambel golven te schilderen; van links naar rechts; grote golven en kleine golven, woeste golven en lieflijke rimpelingen, soms in dreigend donkerblauw, dan weer in vriendelijk helblauw, soms met witte schuimkoppen, en soms ook zonder schuim. Steeds schoof hij zijn trapje wat verder naar rechts, tot hij helemaal aan de rechterkant van de muur was gekomen – dan sjouwde hij het trapje weer naar links en begon van voor af aan, maar dan een treetje lager.

Het doek was heel groot, dus het werk vorderde langzaam. Maar dat vond Wambelbambel niet erg. Hij vond het heerlijk om aan zo’n groot schilderij te werken. Toen hij die nacht naar bed ging, hoorde hij de zee ruisen. Dat was op zich niet zo vreemd, want dat hoorde hij iedere nacht. Maar nu leek het, of het ruisen van dichterbij kwam…

Vrolijk ging hij de volgende dag verder. Inmiddels was hij een trede of drie gedaald. Toen plots stopte hij met schilderen. Niet omdat hij moe was of honger had of geen golven meer zien kon – nee, hij was juist lekker bezig. Maar er was iets dat hem ervan weerhield om verder te schilderen.

Hij klom van zijn trapje en liep naar de andere kant van de kamer om zijn werk van een afstandje te overzien.

“Hmm”, mompelde hij. “Hm hm. Mja. Ja.”

Toen liep hij naar de oude kist die hij ooit op het strand had gevonden en rommelde er even in. “Daar!”, riep hij uit, en hij viste er een tube groene verf uit.

Weer klom hij het trapje op, en ging verder waar hij gebleven was. Maar nu schilderde hij geen blauwe golven meer, maar lichtgroen gras, donkergroene struiken, wuivende bomen en bossen en weiden en velden, en bloemknoppen in alle tinten groen die hij op zijn palet kon mengen. Land schilderen deed hij niet zo vaak, maar het ging hem makkelijker af dan hij gedacht had. Hij werkte er de rest van de dag hard aan door, en aan het einde van de dag bezag hij zijn werk weer van een afstandje.

“Hmm. Ja. Hm hm.”

De zon zakte, en na zijn avondwandeling ging hij tevreden naar bed.

Toen hij op de derde dag weer aan zijn schilderij verder wilde gaan, viel hem iets geks op. Er waren kleuren te zien op het schilderij die hij er niet op aangebracht had. Alle groene bloemknoppen die hij geschilderd had, waren opengegaan en toonden een kleurenpracht aan bloemen. Op de velden wuifden goudgele korenaren hem toe en aan de bomen groeiden rode vruchten, witte, groene en paarse vruchten, en zelfs een enkele roze vrucht. Al dat fruit zag er zo smakelijk uit, dat Wambelbambel dacht: “Kon ik het maar plukken.” Maar dat kon hij niet. Dus zette hij zich maar weer aan het schilderen.

Hij schilderde dat het een lieve lust was. Alles wat hij schilderde kwam nu direct onder zijn penseel tot leven. Tekende hij een twijgje, dan schoot er in enkele tellen een noeste boom uit. Bloemenknoppen gingen open, en sommige bloemen kwamen zelfs los van hun steeltje en veranderden in kleurrijke vlinders; uit de boomtoppen waaiden blaadjes weg die in een kwetterende vogelzwerm veranderden en in de zee in de verte zwommen plots scholen tropische vissen rond.

Zo schilderde het schilderij zich bijna vanzelf, want tekende hij een boom, dan groeide het uit tot een bos, beken werden rivieren en heuvels werden bergen. Toen de avond viel was het hele schilderij af – of tenminste; het hele doek was volgeschilderd, maar Wambelbambel merkte dat het nog niet af was. Want steeds was er wel weer iets dat hij moest aanpassen; sommige bossen werden te groot, en dan moest hij wat bomen wegvlakken, sommige rivieren moest hij een handje helpen om de zee te vinden, meren droogden op en dan moest er een weiland op geschilderd worden. “Dit komt nooit af zo”, verzuchtte Wambelbambel. “Ik kan wel een beetje hulp gebruiken…”

Die verzuchting gaf hem nieuwe inspiratie, en hoewel de zon inmiddels al weer ondergegaan was werkte hij door die avond, bij het licht van een kaars. Op de plek waar de zee en het land elkaar ontmoetten, schilderde hij een duin, en tegen die duin aan schilderde hij een piepklein huisje, en bij dat huisje tekende hij een piepklein mannetje met een nog pieperkleiner penseeltje… Ja, hij had zichzelf nageschilderd; niet omdat hij zichzelf nu zo belangrijk vond, maar omdat hij niet vaak in het dorp kwam en dus niet goed wist hoe andere mensen eruit zagen. Daarbij: hij had een schilder nodig, want er was veel schilderwerk te verrichten, dus waarom zou hij iemand schilderen die niet schilderen kon?

Toen hij de volgende dag weer aan het werk ging, zag hij dat de kleine Wambelbambel op het doek ook reeds uit de veren was. Hij was druk bezig krekeltjes te schilderen in het helmgras op de duin. “Goedemorgen, Wambelbambel”, zei Wambelbambel – de echte, de grote – tegen zijn evenbeeld op het doek. “Goedemorgen, Wambelbambel”, zei de kleine Wambelbambel terug, hij zwaaide vriendelijk en ging weer aan de slag. “Goedemorgen!” “Goedemorgen!” “Goedemorgen!”, zo klonk het opeens vanuit alle uithoeken van het doek. Tot zijn verbazing zag de schilder overal op het canvas kleine schildertjes lopen – schildertjes die hij zelf niet geschilderd had! Al deze wambelbambels zwaaiden hem vrolijk toe, om daarna weer aan het werk te gaan. De een zat op een zelfgeschilderd bootje vissen in te kleuren in de zee. De ander tekende kanalen om meertjes aan de zee te verbinden. Weer een ander tekende in keurige rechte lijnen stipjes op het land, waar weldra plantjes uit ontsproten. (“Goed idee!”, zei Wambelbambel tegen deze wambelbambel.)

De wambelbambels waren opgewekt en vindingrijk. Ze schilderden mooie huisjes voor zichzelf; niet groot, maar groot genoeg om in te leven. Groeide ergens het gras te hoog op, dan kwam er altijd wel één van de wambelbambels op het idee om een grasmaaier te schilderen. Omgevallen bomen werden met zorg weggegumd. Verstuikte een wambelbambel tijdens het werken zijn enkel, dan stonden er altijd wel twee wambelbambels klaar om hem te helpen; eentje om met een kwastje met koud water zijn enkel te koelen, en eentje om zijn schilderwerk voor hem over te nemen. Ja, de wambelbambels waren aardig voor elkaar, en aardig voor Wambelbambel, want steeds als die ergens voor het doek stond zwaaiden ze vriendelijk naar hem, en ze bedankten hem voor zijn goede werk. “Nou, júllie doen eigenlijk al het werk”, zei hij dan, maar de wambelbambels wuifden dat dan lachend weg.

Het was een mooi schilderij geworden, concludeerde Wambelbambel tevreden. “Al zeg ik het zelf!”

Maar ja, dit is een verhaal, en in verhalen gaat het uiteindelijk toch altijd mis, anders zouden ze niet interessant genoeg zijn om na te vertellen. Ook op het schilderij van Wambelbambel ging het na enkele mooie weken gruwelijk mis. Na een warme zomerdag was het die nacht gaan onweren en stormen. De takken van de bomen zwiepten vervaarlijk heen en weer, de wambelbambelhuisjes piepten en kraakten. Ergens midden in het schilderij sloeg de bliksem in een boom. Die spleet in tweeën en stortte met een luidde klap neer op de grond. Op een haar na miste de boom een huisje. De volgende ochtend was de wind gaan liggen. De wambelbambel die in het huisje woonde – Edel heette hij – kwam naar buiten. Hij bekeek de schade: met zijn huis was niets mis, maar zijn mooie tuintje was vernield. “Nou ja”, zei Edel opgewekt, “laat ik eerst de boom maar eens weghalen, en daarna mijn tuintje opnieuw schilderen.” Hij pakte zijn gum en ging fluitend aan het werk.

Edel ging echter zó op in zijn werk, dat hij vergat te stoppen met gummen. Behalve de boom gumde hij ook het groene gras weg, en na het gras de bruine aarde… Toen zag hij iets, dat hij niet kende, maar waar zijn mond toch van open viel. Het was een donkergrijs goedje, bijna zwart, en het glom heel mooi. Hij pakte wat van het spul op; het was droog en kruimelig. Een soort van zand, maar dan fijner. Stof, maar dan grover. “Bij de kwast van Wambelbambel!”, riep hij uit. “Jongens, kijk eens wat ik gevonden heb!” Alle wambelbambels die hem hoorden verzamelden zich om Edel heen, en ze slaakten allemaal een kreet van verbazing en verwondering. “Wat is dat? Het is geen verf, maar toch zo… mooi!”, zeiden zij tegen elkaar. En: “Zeg vriend, geef ons ook eens wat van dat spul!”

Maar Edel schudde van nee. “Het ligt in mijn tuin, dus het is van mij. ‘Edelstof’, zo noem ik het. Maar weet je wat? Wie mij helpt met gummen, krijgt ook een beetje van alle edelstof die wij vinden.” En zo zetten de verzamelde wambelbambels zich aan het werk. Behalve Edel zelf, want die was bang dat de andere wambelbambels stiekem edelstof in hun zakken zouden stoppen wanneer hij even niet keek. Hij hield de wambelbambelwerkers dus goed in de gaten. Zij gumden en gumden tot er geen gras of aarde meer over was in de tuin. Op de meeste plekken vonden zij niets – slechts het kale canvas dat bloot kwam te liggen. Maar op sommige plekken lag nog meer edelstof. Toen alle verf weggegumd was, zag iedereen goed dat de edelstof niet zomaar op willekeurige plekken lag; nee, de stof vormde een patroon van lijnen, als een soort ondergrondse riviertjes, die de wambelbambels voortaan ‘edelnerven’ zouden noemen. Edel wreef tevreden in zijn handen.

Wambelbambel zelf, zo moet je weten, was met z’n hond aan zijn ochtendwandeling bezig toen dit alles plaatsvond. Toen hij terug in zijn huisje aan de duin kwam, schrok hij zich een hoedje. Midden op het schilderij zag hij een kale plek, en in die kale plek stonden enkele tientallen wambelbambels driftig ruzie te maken. “Hij kreeg meer edelstof dan ik! Dat is niet eerlijk!” “Hij heeft ook harder gewerkt dan jij, ik zag je luieren in de zon.” “Niet waar!” Enzovoort, het was een drukte van jewelste en Wambelbambel kon niet alles verstaan wat er gezegd werd.

“Wat is hier aan de hand?”, sprak hij streng. De wambelbambels vielen stil en keken beschaamd op. Edel schraapte zijn keel en zei: “Ahum, beste Wambelbambel; in mijn tuin bleek een waardevolle stof te liggen – edelstof, hier, ziet u? De anderen hielpen mij bij het delven, en we hebben nu wat… eh, discussie over wie hoeveel edelstof krijgt.”

“Edelstof?”, zei Wambelbambel verbaasd en hij keek eens goed naar de strepen waar Edel op wees. “Dat is gewoon potlood! Ik heb eerst wat lijnen op het doek gezet voor ik begon te schilderen, zie je… Gaat dáár al deze ophef om?”

“We vinden het mooi”, zei Edel. “Mogen we er niet naar graven soms?”

Wambelbambel haalde zijn schouders op. “Mij best. Voor het schilderij zelf zijn die lijnen toch niet meer nodig. Maar waag het niet om er nog ruzie over te maken!”

“Beloofd!”, riepen de wambelbambels monter. En op dat moment dachten ze dat ze het meenden.

Maar beloftes vliegen sneller weg dan vlinders van een bloemblad, en wie zal er dan de hand nog naar uitstrekken? Wambelbambel had zich omgedraaid, en was naar zijn voorraadkast gelopen om zijn vaste ontbijt bijeen te sprokkelen: eieren en spek met brood, een grote beker warme geitenmelk, en een banaantje toe. Hij neuriede een melodietje; de eieren en het spek in de pan sisten en pruttelden de maat. Achter zijn rug begon het schilderij te veranderen; het werd grauwer en valer en vlakker met de seconde; de wambelbambels waren driftig aan het gummen geslagen, op zoek naar nieuwe edelnerven, nieuwe edelstof. Rivieren en bossen, ja zelfs vele huizen van de wambelbambels zelf werden uitgevlakt.

En ze maakten ruzie, o ja, meer dan ooit, ze gingen met elkaar op de vuist om een paar korrels edelstof. En als iemand dan herinnerde aan de belofte die zij aan Wambelbambel hadden gedaan, werd die uitgelachen. “Wambelbambel? Ha! Waar is die Wambelbambel van jou dan? Ik zie hem niet. Bestáát hij eigenlijk wel echt? En als hij al bestaat, dan heeft hij ons verlaten. We moeten het zelf uitzoeken.”

Nadat hij zijn ontbijt verorberd had, zette Wambelbambel zich monter aan de afwas. Fluitend waste hij zijn bordje en zijn beker af, en natuurlijk de pan. Ja, zelfs de bananenschil waste hij af, want Wambelbambel was een zuinig mens, en het schilletje bewaarde hij altijd keurig om er een nieuw banaantje in te kunnen doen.

Toen hij zich na de afwas weer aan het schilderwerk wilde zetten, schrok hij zich een nog groter hoedje dan eerder die ochtend. Waar eerst huizen en bossen en heiden stonden, hadden de wambelbambels grote fabriekshallen geschilderd. Zwarte rook steeg op uit lange schoorsteenpijpen, modder en slijk stroomden uit buizen de rivieren en meren in. De paar bomen die er nog stonden, waren hun blad verloren. Op de golven van de smerige zee dreven dode vissen. De wambelbambels werkten in de fabrieken aan lange lopende banden, ’s ochtends vroeg liepen ze daar in een keurige rij naar binnen, ’s avonds laat kwamen ze er in een keurige rij weer buiten. Voor hun werk werden ze beloond met een klein zakje edelstof, maar net genoeg om eten en drinken mee te kopen. Ze letten niet meer op elkaar, ze zorgden niet meer voor elkaar. Ze keken allemaal ongelukkig, sjokten iedere dag met hangende schouders naar het werk, en wie niet kon of wilde werken, werd door politie-agenten in een kille gevangenis gegooid. De ongelukkige wambelbambels groetten en dankten Wambelbambel ook niet meer als hij voor het schilderij verscheen. Sterker nog, de meesten leken hem niet eens meer te zien, ze keken nooit meer omhoog of om zich heen. Zij dachten nog maar aan één ding: aan edelstof, en aan niets anders dan edelstof.

Toen gebeurde er iets wat nog nooit eerder gebeurd was: de altijd zo rustige Wambelbambel werd boos. Razend werd hij zelfs, hij kookte van de woede. “Al deze ellende voor een beetje potloodschraapsel! Dwazen zijn jullie, allemaal!”

En Wambelbambel pakte een grote tube blauwe verf en kneep die helemaal leeg op zijn palet. Toen pakte hij de grootste kwast die hij vinden kon en schilderde met woeste halen dikke klodders verf over het hele schilderij. In blinde paniek renden de wambelbambels alle kanten op, maar niemand ontsnapte aan de blauwe vloed. De fabrieken en kale velden, de armzalige huizen, de dieren, de wambelbambels, allemaal werden ze verzwolgen door de zee van blauwe verf.

Toen hij klaar was liet Wambelbambel zijn kwast en palet uit de handen vallen en deed een paar passen achteruit. “De zee!”, riep hij uit. “Had ik het zo niet eigenlijk bedoeld?” Achter hem hoorde hij een zacht grommen. Het was Milost, zijn hond, die hem verwijtend aankeek. “Je hebt gelijk, Milost”, zei Wambelbambel droevig. “Nee, zo heb ik het niet bedoeld!” En hij barstte in bittere tranen uit.

Plots hoorde Wambelbambel een stem. “Nou ja, zeg. Vond je dit nu zelf ook niet een beetje overdreven?” Met betraande ogen keek de schilder op naar zijn schilderij. Aan de linkerkant was hij één klein stukje land vergeten over te schilderen, niet meer dan een centimeter lang en een halve centimeter breed. Het was precies de duin waar hij begonnen was het land te schilderen, met het kleine huisje waar de eerste wambelbambel woonde. Die wambelbambel – Pode werd hij genoemd – stond bovenop de duin, en had tegen hem gesproken.

“Overdreven?”, zei Wambelbambel. “Heb je dan niet gezien hoe de wambelbambels het land misbruikten dat ik hen gegeven had?”

“O jazeker, dat zag ik”, zei Pode. “Maar je hebt het edelstof hier zelf in de aarde gestopt, en je gaf ons zelf de middelen in handen om ernaar te graven. Wat had je verwacht?”

“Ik heb jullie de middelen gegeven om met mij mee te schilderen, om uit te vlakken wat uitgevlakt moet worden. Had ik dan schilders moeten maken die niet schilderen kunnen?”

De kleine wambelbambel dacht even na. “Hm, nee. Dan had je nog alles zelf moeten doen.”

“Dat bedoel ik maar.”

“Maar je had ons ook duidelijker kunnen zeggen hoe je het gewild had. Dat wij slechts hoefden uit te voeren wat jij ons opgedragen had. Wij hadden heus geluisterd!”

“De ene keer dat ik jullie iets opdroeg luisterden jullie ook niet”, sprak Wambelbambel bitter. “Maar los daarvan: ik zou het niet willen. Niemand heeft mij gedwongen dit schilderij te schilderen. Waarom zou ik jullie dan tot iets dwingen?”

“Goed, goed, ik snap het”, zei Pode. “Maar hoe dan ook: ik sta hier nu alleen op een klein eiland in een zee van blauw. Wat moet ik hier nog aanvangen in deze woestenij?”

Wambelbambel dacht even na. “Hmm. Tja. Hm, hm. Wacht maar, ik zal ervoor zorgen dat je niet langer alleen bent.” De schilder pakte zijn kwast, en met een simpele haal tekende hij een hond naast het huisje op de duin, een kleine milost voor de kleine wambelbambel. Maar dat was nog niet alles. Wambelbambel pakte een nieuw palet en zijn fijnste penseel, en hij verzamelde alle tubes verf die hij had, en deed van alle kleuren van de regenboog een toefje op het palet. Daarna klom hij op zijn laddertje en bovenin het grote doek zette hij een heel klein streepje, en nog een streepje, en nog één en nog één en nog één, streepje na streepje, in steeds weer een andere kleur. De kleine wambelbambel moest zijn ogen tot spleetjes samenknijpen om te zien wat Wambelbambel schilderde, want de schildering was klein en ver weg. Maar langzaam werd de vorm steeds duidelijker: het was een klein vogeltje. Alle kleuren die het fijne penseel aanbracht smolten samen tot gouden veren. En de vogel droeg iets in de snavel, iets groots, groter nog dan de vogel zelf, een ingepakt pakket. Uiteindelijk was het te zwaar voor de vogel, en hij liet het grote pakket vallen in de eindeloze zee van blauw.

“Wat was dat?”, vroeg Pode, maar Wambelbambel antwoordde niet meer. Die had zijn penseel neergelegd, van een afstandje gekeken naar het vogeltje, een paar keer “hmm, tja, hm, hm” gezegd, en was toen glimlachend uit zijn atelier vertrokken. Milost volgde hem kwispelend.

De avond viel in Ofelië, de zon zakte langzaam weg in het oosten, en op de Duyndamse duin tuurden Wambelbambel en zijn hond tevreden naar de golven, die op vlammen leken in de laatste lange zonnestralen.

Op het schilderij in zijn atelier deed de kleine wambelbambel hetzelfde. Maar hij zag iets in de vlammende golven op hem toe drijven – het pakket dat het vogeltje in de zee had laten vallen. Na een paar minuten spoelde het aan, aan de voet van de duin. Het leek een grote witte vis, of een in kranten gewikkeld boordkanon. Pode stoof er nieuwsgierig op af, en maakte het pakket open. Het was een groot, opgerold schildersdoek, en een kistje met verftubes in alle kleuren – rood en paars en groen en roze en wit, en vooral ook heel veel blauw. Hij nam dit alles mee naar zijn huisje. Om het canvas op te hangen, moest hij alle tussenmuren in zijn huisje weggummen. Vol vreugde en verwachting keek hij naar het immense witte doek. “Wat zal ik eens schilderen?”, dacht hij bij zichzelf. Hij opende een blauwe tube. Hij begon maar bij de zee, want hij hield van de zee.

Dit sprookje lezen en luisteren op je smartphone, tablet, e-reader, enzovoort? Download het hier als e-book, inclusief luisterboek en de oorspronkelijke illustratie!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *