Nietmeer

Nietmeer

Böség protesteerde op luide toon: “Wat? Mínusz? Hij is de kleinste van de klas, hij kan zo’n groot paard niet eens berijden!”

Iedereen die aanwezig was bij de ceremonie hield geschrokken de adem in. Het was in alle eeuwen dat de Ofelische Garde bestond nog nooit voorgekomen dat een nieuwe Gardiaan zijn ongenoegen uitte tijdens de inkledingsceremonie. Iedereen vond het hoogst ongepast, zeker omdat de Koning zelf bij de ceremonie aanwezig was, en men sprak er nog maanden, nee jaren schande van.

De generaal die het koninklijke besluit had voorgelezen, keek Böség streng aan en bulderde: “Hoe durf je het besluit van de Koning te betwisten! Wie ben jij om te oordelen welke ruiter het waard is om Meer te berijden?”

“Maar iedereen weet toch…”, begon Böség stamelend en blozend, want hij besefte dat hij te ver was gegaan. “Zwijg!”, onderbrak de generaal hem, die ook rood aanliep, maar dan van woede. “Je brutaliteit zal je je baan kosten, misschien zelfs je hoofd! Als de Koning…” De generaal werd op zijn beurt echter weer onderbroken door de vorst zelf, Koning Hapseflaps de Eerste.

Die stond op van zijn troon – ook heel ongewoon tijdens een ceremonie – en begon zacht en verrassend vriendelijk te spreken: “Jonge Gardiaan, je hart is groot en vurig, en je jeugd is aandoenlijk maar dwaas. Als ik niet al overtuigd was van de juistheid van mijn keuze, dan was ik het nu wel. Józanság past als geen ander paard bij jou. Meer is onstuimig, zo onstuimig als jij zelf ook bent. Maar een onstuimige ruiter op een onstuimig paard rijdt de eerste de beste afgrond in – ken je dat spreekwoord niet? Józanság is ouder en wijzer. Snel als de bliksem, pas op, en dapper als een leeuw. Maar zij is ook verstandig, bedaard, en zij zal jouw veilig langs de diepste afgronden van heel het Hapseflapse Rijk voeren. Juist wat jij nodig hebt dus. Ik heb gesproken.” Toen ging Koning Hapseflaps de Eerste weer zitten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *