Nietmeer

Nietmeer

Voor het geval jij je dat afvroeg: zo komt Berg Nietmeer aan zijn naam.

In de tijd dat de Gardianen van Ofelië nog een groot en indrukwekkend leger vormden, leefde er een jongeman die Böség heette. Al van jongs af aan reed hij graag paard, hij was de meest bedreven ruiter van het noordelijke Deltaland, waar hij woonde. Dus toen hij 11 jaar werd – de leeftijd waarop de Noord-Ofeliërs destijds volwassen werden genoemd, want de mensen werden meestal niet zo oud – reisde hij naar de Toornburcht, waar hij zich aanmeldde bij de Cavalerie van de Gardianen.

Böség slaagde met lof voor de toelatingstest, en ook in de verplichte scholingstijd van een jaar blonk hij uit. Zijn ruiterskunst was ongeëvenaard. Aan het einde van het jaar werd hij dan ook, samen met twintig van zijn medeleerlingen, met lof gehuldigd als nieuwe Gardiaan. In een plechtige ceremonie werden zij omgord met de gouden wapenrok van de Gardianen, en volgens een oud gebruik werd aan ieder van hen door de Koning zelf een eigen paard toegewezen. Stuk voor stuk waren dit prachtige en krachtige strijdrossen, van veulen af gevoed en getraind om de dappere ridders te dragen in de strijd. Maar één van deze paarden was de mooiste en sterkste van allemaal: een spierwitte merrie die simpelweg Meer heette (‘meer’ is het Oud-Ofelische woord voor ‘vrouwtjespaard’). Elk van de kadetten die ingekleed werd die dag, hoopte natuurlijk dat hij Meer toegewezen kreeg.

Zo ook Böség. Eigenlijk hoopte hij er niet eens op, hij wist gewoon zeker dat hij Meer toegewezen zou krijgen. Was hij immers niet de beste ruiter van zijn klas? Het was niet meer dan logisch en eerlijk, zo vond de ijdele jongeman, dat hij het mooiste paard kreeg om te berijden. Groot was dan ook zijn verbazing en verbijstering toen hij de zilvergrijze merrie Józanság kreeg toegewezen, en Meer werd toegewezen aan zijn klasgenoot Mínusz.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *