Het lam en de wilg

Het lam en de wilg

Ieder kind in heel Ofelië kent natuurlijk het populaire kinderliedje ‘Wilbert het Lam en Lambert de Wilg’. Als je alleen de titel al noemt, begint elke Ofeliër spontaan te neuriën, want het is een vrolijk liedje, en als je het eenmaal hoort blijft het subiet dagenlang steken in je hoofd. Maar eigenlijk is dat raar, want het verhaal van Wilbert het Lam is heus zo vrolijk niet.

Wilbert was trouwens niet eens een lam, maar een Schaapjongen, oftewel een jonge Schaapman. De Schaapmannen waren een klein, onbekend volkje dat lang geleden leefde in de uitgestrekte heuvels in het uiterste westen van Ofelië. Half dwerg en half schaap waren ze; kleine kereltjes met hoevenpoten en woeste wollen baarden (zelfs de vrouwen hadden die). Ze waren vrolijk en vreedzaam, maar ook nogal op zichzelf, en daarom weet niemand veel over ze te vertellen.

Wilbert was dus een Schaapjongen, geen lam, en hij heette eigenlijk ook al geen Wilbert, maar Severinus. Op een dag ging Severinus vliegeren in de weilanden net buiten het Schaapmannendorp. Hij deed niets zo graag als vliegeren, en hij had dan ook zijn mooiste hoedje opgezet. Het waaide flink die dag, dus met één hand moest hij zijn hoed goed vasthouden en met de andere het touw van de vlieger.

Hij moest hard rennen om zijn vlieger bij te houden. Hij holde heel het weiland over, sprong over de sloot, en hij doorkruiste nog een weiland, en nog een sloot, en toen een korenveld, en toen een heuvel met een wijngaard (de wijnboer was heel boos en liet zijn honden los om hem te vangen; maar ze konden Severinus niet inhalen), toen een weg en weer een wei en bij wéér een weg kwam hij uiteindelijk hijgend tot stilstand.

Langs die weg stond namelijk een oude treurwilg met lange hangende takken als de poten van een spin. De vlieger van Severinus was in die takken verstrikt geraakt. Hoe de Schaapjongen ook sprong en snokte en draaide, de vlieger kwam niet los. Sterker nog, de vlieger raakte steeds verder verstrikt, en met de vlieger ook Severinus zelf. Lange lussen krulden zich om de handen en hoeven van de arme Schaapjongen, en uiteindelijk hing hij hulpeloos in de touwen als een vlieg in een web.

Hij huilde en hijgde, hij spartelde en schopte, maar het had geen zin. De harde wind droeg zijn gejammer ver over de velden, maar de verkeerde kant op, want de wind had hem ver van zijn huis gevoerd. Zijn mooie hoedje viel vlak voor hem op de grond.

Toen kwam er een dwerg aan, die Theodorik heette. Verwonderd bleef hij naar het kleine, wollige kereltje kijken, dat daar zo hulpeloos in de touwen hing.

“Meneer, help me toch!”, kermde Severinus. Maar Theodorik verstond hem niet, want die sprak geen Schaaps. In zijn oren klonken de hulpkreten als een hoog en giechelend “Bè hè hè hè!”. Hij begon er zelf ook van te giechelen, want het klonk echt heel grappig. Daarbij zag het tafereel er nogal komisch uit: het was alsof de wilg een grote marionettenspeler was, en de Schaapjongen zijn dansende en zingende pop. Theodorik zag de hoed toen voor hen op de grond liggen. Nog hikkend van het lachen, viste hij een paar knoepers – dat zijn de munten van Ofelië – uit zijn zak en gooide die in de hoed.

“Zo, die hebben jullie wel verdiend! Wat een kostelijk schouwspel! Ik heb in tijden niet zo gelachen… Wacht, ik ga direct mijn neven halen.”


Niet veel later kwam hij terug met een grote groep dwergen uit zijn dorp. Ook zij sloegen zich op de dijen van het lachen bij het zien van de verstrikte Schaapjongen. Ze deden zijn lach na: “Bè hè hè! Hè hè hè!” Wat zij niet wisten, was dat dat in Severinus’ eigen taal betekende: “Alstublieft, help mij dan! Ik ben zo bang, ik heb honger en kou… Toe, laat mij niet over aan dit akelige lot!”

Steeds meer dwergen kwamen kijken naar het vrolijke schouwspel, en wierpen dankbaar hun geld in de hoed op de grond. Uiteindelijk besloot Theodorik maar een circustent te bouwen op die plek. Hij spande een groot tentdoek over de wilg heen, zette rondom houten banken neer voor de toeschouwers, en schilderde een bord: ‘Komt dat zien! Wilbert het Lam en Lambert de Wilg!’ Zelf ging hij bij de ingang zitten, met Severinus’ hoed in de hand. Het geld dat de dwergen daar in deden, hield hij zelf, en dat vond hij heel eerlijk want hij had de marionettenspeler en zijn dansende pop ontdekt.

Urenlang spartelde en huilde Severinus daar, en hoe harder hij spartelde en huilde, hoe harder de dwergen klapten en lachten.

Toen, bij het vallen van de avond, trok het gelach en gejoel de aandacht van een reiziger die daar toevallig net langs kwam: de Oude Vlammenman. Een eenzame zwerver was hij, reusachtig en gevreesd, want overal waar hij kwam verslond hij alles met zijn lange vingers van vuur, en hij liet een spoor van as en rook na.

“Wat is daar te beleven?”, vroeg Oude Vlammenman aan Theodorik, wijzend naar de tent.

“Een schouwspel zoals je er nog nooit een hebt gezien”, antwoordde Theodorik. “Een wilg laat hier een lammetje dansen en zingen.”

“Mag ik ook eens kijken?”

Theodorik keek hem enkele tellen wantrouwend aan. “Vooruit dan, als je maar betaalt, net als iedereen.” Want zijn hebzucht won het van zijn gezonde verstand. Hij hield de hoed omhoog.

“Maar ik heb geen geld”, zei Oude Vlammenman teleurgesteld.

“Hoepel dan maar op!”, zei Theodorik boos. Oude Vlammenman liep stampvoetend door. Maar toen hij aan de andere kant van de circustent was, waar Theodorik hem niet kon zien, draaide hij zich om en sloop terug naar de tent. Daar tilde hij het tentdoek op, om zelf te zien wat er zo grappig was. De tent vatte ogenblikkelijk vlam. Oude Vlammenman rende geschrokken de heuvels in, huilend om het schouwspel dat hij zag, en om de ravage die hij aanrichtte.

De tent stond in lichterlaaie, en binnen enkele tellen ging ook de wilg in vlammen op. De toeschouwers gilden en probeerden in blinde paniek de tent te verlaten. Niemand dacht meer aan Severinus die inmiddels levenloos door de rook en de uitputting in de touwen hing.

Niemand… behalve een klein gouden vogeltje, dat de Oude Vlammenman uit het bos gevolgd was. Dwars door de zwaarden van vuur en het schild van rook baande het beestje zich met woeste vleugelslagen een weg de tent in. Vastberaden pikte hij de touwen van de vlieger door, en tilde toen de Schaapjongen aan een lus van zijn vest uit de vlammenzee omhoog. Tegen de wind in vloog hij, over weg en wei en weer een weg, over wijngaard en korenveld, sloot en wei en sloot en wei. Tot hij de arme Severinus weer in zijn eigen warme bedje neer kon leggen. Toen de Schaapjongen de volgende ochtend wakker werd, dacht hij dat het maar een droom was geweest, een vreselijke droom die hij vast nog vele malen dromen zou.


Maar het was geen droom geweest. (Dat vermoedde hij ook heus wel, want nergens kon hij zijn hoed en zijn vlieger nog vinden.) Alle dwergen in de circustent waren omgekomen. Alleen Theodorik, die bij de ingang zat, had zichzelf in veiligheid kunnen brengen, de hoed met geld onder zijn dikke wollen trui verstopt.

Op de plek waar de oude wilg stond, werd een grafheuvel gemaakt, die Dwergendroef heet in de taal van de dwergen en Lammerklacht in de taal van de mensen. De dwergen maakten een heel verdrietig klaaglied over die gebeurtenis, en dat lied is ‘Wilbert het Lam en Lambert de Wilg’. Met het verstrijken van lange eeuwen vergat iedereen echter dat het eigenlijk een droevig liedje was, en daarom klinkt het nu zo vrolijk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *