Het lam en de wilg

Het lam en de wilg

Langs die weg stond namelijk een oude treurwilg met lange hangende takken als de poten van een spin. De vlieger van Severinus was in die takken verstrikt geraakt. Hoe de Schaapjongen ook sprong en snokte en draaide, de vlieger kwam niet los. Sterker nog, de vlieger raakte steeds verder verstrikt, en met de vlieger ook Severinus zelf. Lange lussen krulden zich om de handen en hoeven van de arme Schaapjongen, en uiteindelijk hing hij hulpeloos in de touwen als een vlieg in een web.

Hij huilde en hijgde, hij spartelde en schopte, maar het had geen zin. De harde wind droeg zijn gejammer ver over de velden, maar de verkeerde kant op, want de wind had hem ver van zijn huis gevoerd. Zijn mooie hoedje viel vlak voor hem op de grond.

Toen kwam er een dwerg aan, die Theodorik heette. Verwonderd bleef hij naar het kleine, wollige kereltje kijken, dat daar zo hulpeloos in de touwen hing.

“Meneer, help me toch!”, kermde Severinus. Maar Theodorik verstond hem niet, want die sprak geen Schaaps. In zijn oren klonken de hulpkreten als een hoog en giechelend “Bè hè hè hè!”. Hij begon er zelf ook van te giechelen, want het klonk echt heel grappig. Daarbij zag het tafereel er nogal komisch uit: het was alsof de wilg een grote marionettenspeler was, en de Schaapjongen zijn dansende en zingende pop. Theodorik zag de hoed toen voor hen op de grond liggen. Nog hikkend van het lachen, viste hij een paar knoepers – dat zijn de munten van Ofelië – uit zijn zak en gooide die in de hoed.

“Zo, die hebben jullie wel verdiend! Wat een kostelijk schouwspel! Ik heb in tijden niet zo gelachen… Wacht, ik ga direct mijn neven halen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *