Het kleinste penseel

Het kleinste penseel - Illustratie (c) Hans Krill

Er was eens een schilder, die in een klein houten huisje aan de rand van het Swartwoud woonde. Hij leefde daar met zijn vier kinderen, drie zonen en een dochter; zijn vrouw was een paar jaar geleden gestorven. Zij waren arm, want zij leefden van de opbrengst van zijn schilderijen, en eerlijk gezegd kon hij niet bijster goed schilderen. Zelf hield hij het erop, dat de mensen zijn grote talent niet op waarde konden schatten, en dat zij hem pas na zijn dood zouden begrijpen. Hij schrok dan ook niet echt, toen hij op een kwade dag bezoek kreeg van een reiziger, die de meeste mensen liever zien gaan dan komen. Het was de Oude Vlammenman - een reus, maar niet eentje van botten en vlees, maar van vuur en van rook, en waar hij voorbij stampte met zijn vlammende voeten, liet hij een spoor van as en puin achter. Het was avond, de schilder rookte een pijp op zijn veranda, toen hij de Oude Vlammenman aan zag komen.

“Schilder”, zei de Oude Vlammenman, “ik heb een lange reis gemaakt, ik ben moe en heb honger.  Als je zo goed wil zijn, stap even opzij. Ik lust graag huizen, en het jouwe ziet er smakelijk uit.”

“Hm”, zei de schilder, “hm.” (Hij zoog bedachtzaam aan zijn pijp.) “Dat zal niet gaan, want mijn kinderen liggen daar binnen te slapen.”

“Dat hindert niet”, sprak de Oude Vlammenman, “die lust ik ook. Een leeg huis is ook maar saai, dus dat beetje vulling is best welkom.”

“Mag ik ze niet even gaan waarschuwen, zodat ze kunnen vluchten?”

De Oude Vlammenman keek hem geërgerd en ongeduldig aan. “Ja zeg! Nu had ik me net zo verheugd op gevuld huis!”

“Dan weet ik het goed gemaakt”, sprak de schilder (die wel inzag dat met de Oude Vlammenman niet te spotten viel), en hij klopte de as uit zijn pijp. “Geef me vijf minuten, dan waarschuw ik mijn kinderen. Zodra je ze het bos in ziet verdwijnen, mag je mijn huis opeten met mij erin.”

Mokkend ging de Oude Vlammenman akkoord. De schilder zei: “Pak een stoel; tot zo!” en hij verdween in het huis. De Oude Vlammenman pakte de stoel op en verslond die in één hap. “Dat vult niet echt, schilder. Schiet liever op”, riep hij hem na.

De schilder ging vlug zijn kinderen wakker maken. Tegen de oudste zei hij: “Grijp voor je gaat de koker met schilderijen uit de kluis. Je kunt die verkopen, het is mijn erfenis.”

“Ja, vader”, zei de oudste, maar hij deed het niet, want hij dacht bij zichzelf: “Wat leveren die lelijke oude prenten nou op?”

Tegen de tweede zoon zei de schilder: “Vlug, grijp de tubes met olieverf uit de voorraadkast voor je gaat, op de kunstenaarsmarkt in Steltstad wordt er goed geld voor betaald.”

“Dank u, vader”, zei het kind, maar ook hij deed het niet, want hij dacht: “Die verf is vast al ingedroogd, en daarbij: Steltstad is me veel te ver.”

Tegen het derde kind zei hij: “Aan jou laat ik de penselen uit mijn atelier na. Jij hebt een creatieve aanleg, jij kunt in mijn voetspoor treden.”

“Ik zal je niet teleurstellen”, zei deze zoon plechtig, maar hij dacht erbij: “Tss! Penselen zijn hopeloos uit de mode; ik teken liever met vuurvliegstiften.” En ook hij negeerde de laatste wens van zijn vader.

Tenslotte sprak hij ook zijn jongste, zijn geliefde dochter Suola, toe: “Haal uit het kabinetje met spullen van je moeder mijn kleinste penseel. Ik kreeg het ooit van haar, en heb het na haar dood niet meer durven aanraken. Het is bovendien onbruikbaar; geen verf kleeft er nog aan, geen kleur kan het nog mengen. Maar het is me dierbaar.” “Zoals u wilt, vader”, zei ze kortweg, en ook zij vertrok langs de achterdeur. Juist op dat moment begon de Oude Vlammenman, die zijn honger niet meer bedwingen kon, aan het voorhuis te knabbelen. “Hmmmm”, zei hij likkebaardend, “hmmm.” En toen: HAP, HAP, HAP! In drie grote happen verslond hij het huis van de schilder, met de schilder erin. Tevreden vervolgde hij zijn weg, in de richting van de rivier, en hij nam zo nu en dan een boompje toe.

De volgende ochtend kwamen de vier kinderen, die zich verstopt hadden in het bos, weer bij elkaar op de plek waar hun huis gestaan had. Treurig keken zij naar het hoopje as en puin dat daar lag. Ze waren moe en hadden honger, maar van hun bedden of de provisiekast was geen spoor te bekennen. “Wat spijt het mij nu dat ik zijn schilderijen niet meegenomen heb”, jammerde de oudste zoon. “Nu hebben we niets meer, niets dat we kunnen verpatsen voor een slaapplek in de herberg of een appel en een brood.” “Ik heb zijn olieverf ook al laten liggen”, zei de tweede schuldbewust. “En ik zijn penselen”, de derde.

“Ik heb zijn kleinste penseel”, zei Suola monter, en ze haalde het tevoorschijn. Even leek de droeve dag te klaren, de zon brak door de wolken, in de verte floot een vogel zijn vrolijke ochtendlied. Maar haar broers haalden de neus op. “Dat kleine ding? Het is oud en kapot. Dat is niets meer waard!” De wolken verzwolgen weer het gouden zonlicht, een koude stilte viel over het Swartwoud. Het meisje pruilde haar lip. “Het was voor hém iets waard”, zei ze, en ze huilde bittere tranen.

Toen gebeurde er iets opmerkelijks. Waar haar tranen neervielen in de as van hun vaders huis, schoten jonge loten uit de grond, en de loten werden razendsnel groter en dikker, en er ontsproten takken en bladeren aan – niet groen, maar grauw en grijs als de as waarin zij ontkiemd waren. Binnen een paar minuten stonden er twaalf reusachtige grijze bomen, voor elke traan één boom. En daar bleef het niet bij: de takken groeiden maar door, verstrengelden zich in elkaar. Langzaam tekenden zich de contouren van een huis af, met stammen als pijlers, takken als muren, bladeren als dak. Door de wimpers bekeken, leek het wel een beetje op hun oude huis – maar dan grijs als de as van het voetspoor van Oude Vlammenman.

De drie broers zuchtten diep. “Hier kunnen we toch niet wonen? Het is hier somber en donker.” En met hangende schouders dropen zij af, en verdwenen in het donkere bos. Alleen Suola bleef er achter. Weet je wat zij deed? Zij stroopte de mouwen op, pakte het kleine penseel, en streelde zachtjes over de grijze stammen. En zie, waar zij streek, daar kwam de kleur weer terug; het frisgroen van de twijgen, het diepgroen van de bladeren, gebladerd witte berkenbast en glimmend rode kastanjes.

Zo verfde zij, zonder verf, de hele dag, tot de avond viel, en de volgende dag weer van zonsopkomst tot zonsondergang, en de volgende ochtend, toen had het huis al zijn kleur weer terug. En het meisje ging er wonen, en groeide op, en wijd en zijd stond zij bekend als ‘de goede heks met het toverpenseel’; want alles wat grijs was geworden, om welke reden ook, kon je bij haar brengen, en dan gaf zij het de kleur weer terug. En zij leefde daarna gelukkig tot aan het einde van haar dagen, toen vanuit het bos een vermoeide, hongerige reiziger aan kwam sjokken, die zij met een glimlach begroette.

Dit sprookje lezen en luisteren op je smartphone, tablet, e-reader, enzovoort? Download het hier als e-book, inclusief luisterboek en de oorspronkelijke illustratie!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *