Het kleinste penseel

Het kleinste penseel - Illustratie (c) Hans Krill

Er was eens een schilder, die in een klein houten huisje aan de rand van het Swartwoud woonde. Hij leefde daar met zijn vier kinderen, drie zonen en een dochter; zijn vrouw was een paar jaar geleden gestorven. Zij waren arm, want zij leefden van de opbrengst van zijn schilderijen, en eerlijk gezegd kon hij niet bijster goed schilderen. Zelf hield hij het erop, dat de mensen zijn grote talent niet op waarde konden schatten, en dat zij hem pas na zijn dood zouden begrijpen. Hij schrok dan ook niet echt, toen hij op een kwade dag bezoek kreeg van een reiziger, die de meeste mensen liever zien gaan dan komen. Het was de Oude Vlammenman – een reus, maar niet eentje van botten en vlees, maar van vuur en van rook, en waar hij voorbij stampte met zijn vlammende voeten, liet hij een spoor van as en puin achter. Het was avond, de schilder rookte een pijp op zijn veranda, toen hij de Oude Vlammenman aan zag komen.

“Schilder”, zei de Oude Vlammenman, “ik heb een lange reis gemaakt, ik ben moe en heb honger.  Als je zo goed wil zijn, stap even opzij. Ik lust graag huizen, en het jouwe ziet er smakelijk uit.”

“Hm”, zei de schilder, “hm.” (Hij zoog bedachtzaam aan zijn pijp.) “Dat zal niet gaan, want mijn kinderen liggen daar binnen te slapen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *