De glimstenen van Steltstad

De glimstenen van Steltstad

Maar het echte gevaar dat Steltstad bedreigde had niemand voorzien. Het kwam niet uit de omringende moerassen, noch uit het noordelijke Swartwoud. Enkele mijlen ten zuiden van de stad slingerde de machtige Papijrus in een laatste grote lus westwaarts om via de Zuiderdelta in de Zee uit te monden. Aan de overzijde van de zwenkende rivier lag de Vlakte van Apatolomië, een uitgestrekt en verlaten plateau van het Vulpengebergte. Dat er nooit iets goeds vandaan kwam, wist iedereen. Er deden al eeuwenlang verhalen de rondte over dat grauwe niemandsland. Midden op de vlakte lag de diepe krater van een slapende vulkaan, en in die vulkaan zou een boze tovenaar wonen. Men meed de Apatolomische Vlakte, maar vreesde die niet echt. Niemand was er ooit zelf geweest, niemand had ooit een echte tovenaar gezien, niemand geloofde echt in de enge verhalen.

Tot die bewuste herfstavond dat de jonge leerling-gardiaan Biechol ontdekte dat de slapende vulkaan van de Vlakte wakker aan het worden was. Deze Biechol was pas negen, en zoals alle jongens van zijn leeftijd moest hij een jaar in dienst van de Ofelische Garde. De Stelten vonden dat belangrijk, want daar werd je sterk en dapper van, zeiden ze. In de praktijk betekende dit leerjaar dat je allerlei rotklusjes moest doen, zoals gifkikkers vangen in de poelen onder de palen, schilden poetsen en eindeloos wacht staan bij de zuidelijke stadspoort, waar nooit iets spannends gebeurde.

Maar op een avond, toen zijn saaie, lange wachtbeurt er bijna op zat, hoorde Biechol plots gerommel in de verte. Hij tuurde door de moerasnevels, langs de sprietige bomen, in de richting van de Papijrus en het massieve voorgebergte van de Vulpen. De bleke herfstzon was al bijna onder en de slinkende maan gaf niet meer dan een flauw blauwig schijnsel; maar aan de horizon zag Biechol toch iets vreemds: een smalle grijze rookkolom kringelde als een krullend moeraspad naar de zwarte hemel. Biechol snufte. Hij rook een zwavelige brandlucht.

“Vuur!”, riep hij, en hij sprintte van zijn wachtpost naar het gardianenverblijf aan de andere kant van de stadspoort. Enkele oudere soldaten zaten daar verveeld te kaarten in het kaarslicht. “Vuur!”, riep hij nog eens. “Ik denk dat het van de vulkaan komt!”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *