De draak in het trollenfort

De draak in het trollenfort (c) HANS KRILL

“Daar gaat-ie! Hijs de hozer!”

Kraterum de draak krijste zijn verschrikkelijkste krijs, maar de ridders van de Ofelische Garde waren niet meer bang van hem. Een ferme straal water werd naar hem toe gespuwd, en trof hem vol op de snuit. Het gekrijs ging over in klagend gegorgel, en met stevige slagen vloog de draak verder. De ruiters zetten de achtervolging in, terwijl de trekossen de hozer weer in beweging brachten.

Het leven van draken in Ofelië was beduidend zwaarder geworden sinds de uitvinding van de hozer. Dat was een groot houten bouwwerk op wielen, met daarin een enorme waterton, een pomp en een spuitslang, in hoogte en richting verstelbaar. Zwaarden, speren en pijlen – dat weet je denk ik wel – kunnen draken niet deren. Maar water! Brr, wat hebben ze daar een hekel aan! Nee, ze gaan er niet zomaar dood aan (al kunnen ze, net als andere wezens, wel degelijk verdrinken). Maar het ontneemt hen hun belangrijkste wapen, hun vurige adem. Als verzopen katjes zitten ze erbij wanneer ze de volle laag krijgen met een werktuig zo krachtig als de hozer.

Zo ook Kraterum, een oude bergdraak uit het koude zuiden van Ofelië. Als de winters erg streng waren, ontvluchtte hij altijd zijn grot in de Vulpen, en trok hij naar warmere streken in het midden of noorden van het eiland. Daar deed hij zich tegoed aan vee, grotere huisdieren en te trage kinderen en bejaarden. Ook roofde hij goud en zilver en edelstenen, want daar zijn draken dol op – ook dat weet je denk ik wel.

Maar ditmaal lieten de Ofeliërs zich niet meer intimideren door de draak. De maat was vol; we hebben genoeg dieren verloren aan dat monster, riepen de mensen. En al heb je weinig aan te trage kinderen en bejaarden, ze laten opeten gaat toch echt te ver! Koning Hapseflaps de Vierde schakelde onmiddellijk de befaamde Gardianen in, die de achtervolging inzetten.

Kraterum vluchtte, maar werd weer opgespoord, vluchtte weer, en werd weer opgespoord, en zo verder. Tot hij, ver over de grenzen van het Hapseflapse rijk, in de onherbergzame Kruimelwatervallei, een oud fort vond om in te schuilen.

Daar gebeurde iets opmerkelijks; iets grappigs, kun je zeggen… of misschien juist iets heel droevigs als je er iets langer over nadenkt… of misschien wel weer heel grappig als je er nóg langer over nadenkt. Nou ja, dit is wat er gebeurde.

Dit fort was een oud en verlaten trollenfort, gebouwd in de tijd dat Kruimelwater nog een levendige vallei was, bewoond door sprietvoeten. De komst van de trollen veranderde alles. Trollen zijn gewelddadig en gemeen, en nog meer op goud en rijkdommen gesteld dan draken. Ze plunderden de dorpen in de vallei, verjoegen de kleine, vredelievende sprietvoeten, vraten de gewassen van de landerijen zonder iets terug te planten. Binnen een paar jaar was Kruimelwater een dorre, verlaten vallei, waarin het fort van de trollen als enige grimmige pinakel overeind stond.

Het was een smerige en stinkende plek, want trollen zijn niet bepaald proper. Zichzelf wassen doen ze niet, want ze hebben het bijgeloof dat je vel er dan afvalt. (En hun vel is zo smerig, dat dat waarschijnlijk ook gebeurt wanneer je het zou schrobben.) Van toiletten hebben ze nooit gehoord; als ze moeten poepen of plassen laten ze het gewoon lopen waar ze staan.

Toen ze dit fort jarenlang hadden bevuild en uitgeleefd, en er in de wijde omtrek niets meer te plunderen viel, vertrokken de trollen uiteindelijk uit de Kruimelwatervallei. Dat was enkele jaren voor de komst van Kraterum. Toen de draak kwam, stonk het er nog steeds vreselijk, en de vloeren en muren zaten nog altijd onder dikke lagen trollenstront. Maar dat deerde de draak niet. Die was allang blij dat hij een plek had om te schuilen voor de gardianen met hun vreselijke hozer. Die konden hem daar inderdaad niet vinden, en zij keerden terug naar hun koninkrijk, tevreden over het feit dat zij de draak verjaagd hadden. Kraterum hield zich voor alle zekerheid maandenlang koest in het oude, vieze fort.

Op een dag echter, trok er een troep trollen door de vallei. Het was een twintigtal deserteurs uit het leger van Generaal Wildedarm, dat ooit het trollenfort van Kruimelwater bezet had. Nu trokken ze op zichzelf plunderend door het land, maar werden ook op de hielen gezeten door de Generaal, die hen wilde laten onthoofden voor hun verraad. Ze hoopten tijdelijk te kunnen schuilen in het oude fort.

Toen ze daar aankwamen, schrokken ze zich een hoedje. De draak Kraterum, die zich al weer in het openbaar durfde te vertonen, lag te slapen in de zon, bovenop het fort, alsof het zijn nest was. “Een draak in het trollenfort?”, zeiden de trollen tegen elkaar toen ze van de schrik bekomen waren. “Maar wat zoekt hij daar?”

“Draken houden van goud”, zei een van de trollen. “Er zal wel goud liggen in dat fort.”

“Oelewapper!”, riep een ander. “Natuurlijk ligt dat daar niet. We hebben daar zelf lange tijd gewoond! Lag er nog iets toen we weggingen? Alles van waarde heeft Wildedarm meegenomen!”

“Misschien… misschien bevinden er zich geheime kelders onder het fort,” zei de eerste weer.

“Of misschien heeft de draak zelf ergens anders een schat geroofd en hiermee naartoe genomen”, zei een derde. Zo discussieerden ze verder, en het werd bijna slaande ruzie (dat gebeurt altijd bij trollen, zelfs wanneer ze over het weer praten). Maar tenslotte besloten ze toch, dat er inderdaad iets waardevols in het fort moest liggen, omdat er anders geen draak zou zijn.

Ze bedachten een plan. Dat draken bang waren voor de Gardianen en hun hozers, wisten de trollen wel. De volgende nacht, verkleedden zij zich als Gardianen, en van sprokkelhout knutselden zij iets wat op een hozer leek. Die werkte natuurlijk niet echt, want de trollen waren te dom en te onhandig om een echte hozer te maken. Ook hun Gardianen-kleren leken goed beschouwd nergens op. Maar het was donker, en draken zien het verschil niet.

“Boeh! Draak! We gaan je natspuiten!”, riepen ze toen ze in het holst van de nacht uit het dorre bos rondom het fort tevoorschijn sprongen. De slapende draak tilde een ooglid op, toen een tweede, en toen was hij ineens klaarwakker. Met een ijselijke kreet vloog hij op. Het plan werkte: doodsbang vloog de draak weg. Juichend namen de trollen het fort in.

Eenmaal binnen gingen zij meteen op zoek naar de schat van de draak. Het fort was nog smeriger en akeliger dan toen zij het achterlieten; ook draken zijn weinig proper, dus behalve trollenpoep, zat er nu ook drakenpoep tegen de muren en zelfs de plafonds. Maar nergens vonden zij een schat, hoezeer de trollen ook zochten. Weliswaar vonden zij na enkele dagen inderdaad een geheime kelder, maar ook daar lag geen goud. Alleen maar meer poep; door deze diepe ondergrondse zaal stroomden rivieren van pies en poep, want alle piespotten van het kasteel kwamen hier op uit.

Hoewel er niets van waarde lag, besloten de trollen toch nog enkele maanden te blijven. Vooral om te schuilen voor de mannen van Generaal Wildedarm, die hen nog altijd zouden villen en onthoofden en aan hun tenen ophangen aan een waslijn als ze de kans kregen.

Toen brak een nieuwe winter aan. Sneeuw en hagel teisterden de Kruimelwatervallei. Maar met het ijzige weer, keerde ook een andere verschrikking terug in de vallei: Kraterum de draak, die wederom de nog strengere winter van het zuiden ontvluchtte. Op zoek naar een schuilplaats voor de nacht, had hij aan het oude trollenfort gedacht. Maar hij was op zijn hoede: misschien waren de Gardianen er nog. Voorzichtig cirkelde hij om de donkere toren heen. Het was avond. Door een raam zag hij licht branden. De trollen lagen in de oude eetzaal te snurken op de tafels. “Trollen? Wat doen die hier?”, dacht Kraterum bij zichzelf. “Trollen houden van goud… Ze zullen wel een schat bewaken, anders hebben ze hier niets te zoeken. Wacht, ik zal ze…”

Krak, bulder, boem! De trollen schrokken wakker, en zagen hoe de grote deur van de eetzaal versplinterd werd. De draak vloog er dwars doorheen, en brulde en spuugde vuur. In paniek stoven de trollen alle kanten op. Sommigen van hen werden opgesmikkeld door de draak, anderen konden net op tijd vluchten naar het bos – van hen werd nooit meer wat vernomen.

Nu was het de draak die het fort doorzocht, op zoek naar een schat. De zalen en gangen waren nog veel smeriger dan toen hij het fort had achtergelaten. Een nieuwe laag stinkende trollenpoep kleefde aan de stenen. Het was nu zelfs zo smerig, dat alle vloeren glibberig waren geworden; geen mens of beest of ander wezen kon er nog rondlopen zonder voortdurend uit te glijden over de viezigheid. Zo ploeterde de draak zich een weg door het kasteel, maar vergeefs, hij vond niets.

De rest van de winter gebruikte Kraterum het fort als schuilplaats, en nadat hij zich tegoed had gedaan aan enkele ossen, schapen en bejaarden uit de dorpen in de wijdere omgeving, hield hij er een winterslaap.

Toen de sneeuw gesmolten was en de knoppen weer in de bomen en bloemen verschenen, ontwaakte Kraterum. Nog wat versuft glibberde hij door de gangen en via de grote poort naar de binnenplaats. Daar schudde hij zijn vleugels uit, snoof de voorjaarslucht op, en maakte zich gereed om weg te vliegen. Juist op dat moment zag hij tot zijn schrik, dat hij bezoek had. Trollen! Niet een handjevol, zoals eerst, maar een heel leger stond voor de poorten van het fort. Het was het leger van Generaal Wildedarm – of eigenlijk Krijgsheer Wildedarm, zoals hij inmiddels heette, want hij had zichzelf zojuist gepromoveerd tot de hoogste rang in het trollenleger.

“Draak!”, krijste een kleinere schilddrager uit het voorste gelid in paniek. “Rennen mannen!” Sommige trollen zetten het inderdaad op een lopen. Maar nog voor de paniekstemming zich kon verbreiden, klonk er een luide, diepe brul: “Halt! Blijf op je post!” Het was Krijgsheer Wildedarm zelf, de meest lelijke en angstaanjagende trol die ooit bestaan heeft. “Waar een draak is”, gromde hij tegen zijn Eerste Sergeant-Majoor-Adjudant, die nooit van zijn zijde week, “daar is goud.”

“Maar Krijgsheer”, piepte de Eerste Sergeant-Majoor-Adjudant, “dit is onze eigen oude fort. Het was leeg toen we er vertrokken!”

“Dan heeft dat rotbeest vast nieuwe schatten hiermee naartoe gesleept. Ten aanval!”

Zo begon de Slag om het Trollenfort, of de Slag van Kruimelwater, zoals de trollen het tot in de lengte van dagen zouden noemen. Met hun knotsen en bijlen en speren stoven de trollen op de draak af. Die vocht woest, en vermorzelde de trollenstrijders met tientallen tegelijk; hij spuugde vuur, beet ze doormidden, haalde uit met zijn scherpe klauwen, zwiepte met zijn vervaarlijke staart. Maar trollen zijn woeste strijders, die niet snel opgeven, en Krijgsheer Wildedarm beschikte over een fors leger.

Dagenlang hielden de gevechten aan. Op een goed moment waren er nog maar twintig trollen over, onder wie Wildedarm zelf. Ze waren allemaal gewond en uitgeput. Maar ook de draak was moe, en die had zich daarom teruggetrokken in één van de vele vertrekken in het fort. “Nu moeten we even doorzetten. We zoeken hem op, en brengen hem de genadeslag toe!”, zei Krijgsheer Wildedarm. De trollen liepen voorzichtig door de smerige, glibberige gangen. Alle poep op de stenen had ook een voordeel: ze konden nu makkelijk het spoor van Kraterum volgen. Grote drakenvoetstappen waren te zien in de derrie, en daartussen een lang bruin sleepspoor van zijn staart – een beetje zoals je ook wel eens in je onderbroek vindt wanneer je te lang een keutel hebt willen binnenknijpen.

Het spoor leidde naar een hoge deur, en achter die deur was een wenteltrap die naar beneden ging. De trollen moesten elkaars handen vasthouden om niet uit te glijden over de kakmassa op de treden. De voorste droeg een toorts, en dat was wel nodig, want het was pikkedonker in het trappenhuis.

“Slokkende slakken!”, riep de toortsdrager plotseling uit, en meteen stond hij stokstijf stil. De anderen botsten tegen elkaar aan, en het scheelde niet veel of ze waren in één kluit naar beneden gedonderd. “Wat is er?”, riep Wildedarm. De toortsdrager zei niets, maar wees slechts vooruit. Ongeveer vijf meter verder naar beneden, zagen zij in het zwakke schijnsel van de toorts een gedaante, als een reusachtige slapende vleermuis hangend aan het plafond. Het was Kraterum. Maar die sliep niet, hij keek de trollen recht aan met zijn enge ogen. Hij had gehoopt dat de trollen hem niet hadden opgemerkt, en dat hij hen had kunnen bespringen.

Dat lieten de trollen nu niet gebeuren. “Ten aanval!”, riep Krijgsheer Wildedarm. Zelf gaf hij het goede voorbeeld: hij pakte de toorts van de toortsdrager, zette zich af voor een enorme sprong, en hij landde recht op de kop van de draak. Met een woeste zwaai sloeg hij het uiteinde van de toorts recht in het linkeroog van Kraterum. Die piepte klaaglijk en liet los. Toen de draak en de trollenleider op de traptreden waren neergesmakt, sprongen ook de andere trollen bovenop het beest. Ze sloegen en staken hem overal waar ze hem raken konden.

En toen… begon de draak met alle twintig trollen erop te schuiven op de poepgladde traptreden. Als een stuurloos schip stoof het gevaarte van de trap naar beneden. Om uiteindelijk in de diepe gewelven onder het fort terecht te komen. Met een luide plons kwamen ze allemaal neer in een van de kolkende rivieren van poep en pies die daar in de diepte stroomden. Kraterum, Wildedarm, en alle trollen: ze verdronken tezamen in die walgelijke massa.

Daarmee kwam een einde aan de vete tussen de trollen en de draak, en het trollenfort zou er niet lang meer staan. Het leven, de vreugde en de frisse lucht keerden langzaam weer terug in de Kruimelwatervallei. Maar deze geschiedenis zou niet vergeten worden. De bekende zegswijze “Van de keutel in de kak geraken” herinnert er nog aan.

Exclusief! Download dit sprookje als E-book en Luisterboek - met nooit vertoonde schetsen van Hans Krill!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *