Bebadilus en de Veerval

Bebadilus en de Veerval - (c) 2016 Hans Krill

Maar die nacht joeg de meerval op een kleinere prooi; een kikkertje. Dat had maar net op tijd van zijn lelieblad kunnen springen, waarop hij over sappige bromvliegen zat te dagdromen – of nee, nachtdromen, of nee, toch dagdromen; ach! de nacht was voor de kikker als de dag, want dan was hij normaal gesproken wakker en overdag sliep hij meestal. Plots sprong daar met veel geweld de meerval uit het water, met de bek wijd opengesperd, en de kikker ontwaakte maar net op tijd uit zijn mijmering en sprong in het water. De meerval zette de achtervolging in, en het kleine groene kikkertje zwom en zwom voor zijn leven.

Hij was zijn leven vast verloren, als hij Bebadilus niet had zien zitten aan de waterkant. Of althans: hij had het uiteinde van zijn lange baard in het water zien hangen, en hij was daar vlug opgeklauterd, het inktzwarte water uit. Vanaf de baard klom hij omhoog naar de lippen, en wipte van daar op de grote neus van de oude man, die ongestoord snurkte als een verstopte kolenkachel. Via de borstelige wenkbrauwen maakte hij een grote sprong omhoog, om uiteindelijk op het hoedje van Bebadilus te landen. Daar pufte hij uit.

De meerval stak de kop uit het water, en riep de kikker boos toe: “Kom hier jij!”

“Waarom zou ik?”, zei het kikkertje.

De meerval dacht even na. “Omdat ik honger heb. En jij… jij hebt de, eh, éér om die honger te stillen!”

“Eer?”, vroeg de kikker. “Wat is dat, eer?” Dat wist de kikker echt niet, want kikkers kennen niet zo veel woorden, en zeker geen moeilijke.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *