Bebadilus en de Veerval

Bebadilus en de Veerval - (c) 2016 Hans Krill

Ik ken twee verhalen uit de nacht dat de zon vergat op te komen, maar vandaag vertel ik er maar één. Op de avond voor die nacht ging de oude Bebadilus vissen aan de oever van de Papijrus. Hij had zijn langste hengel meegenomen, en een zelfgemaakte zwevende dobber, met zwarte vleugeltjes die razendsnel wapperden als die van een kolibrie. Aan de haak hing hij de vetste worm die hij vinden kon, want hij wilde de grote meerval vangen die rondzwom in de rivier. Meervallen vang je het beste in het holst van de nacht, zo wist Bebadilus, en hij was een wakker baasje dat met scherp geduld wachten kon.

Maar de nacht viel zwaarder en zwarter dan ooit tevoren, en duurde en duurde maar, en Bebadilus sukkelde uiteindelijk toch in slaap. Zo lang duurde de nacht, dat zijn witgrijze baard de kans had om te groeien en te groeien, tot die in het inktzwarte water hing.

De meerval, moet je weten, was een vervaarlijke vis, rood als koper, groot als een Albosbuffelkalf en sterk als een volgroeide Albosbuffel. Hij was een veelvraat en een alleseter. Alles wat op zijn weg kwam slokte hij naar binnen; andere vissen, hagedissen, insecten en vogeltjes die zich te dicht bij het wateroppervlak waagden; en de zwergen van het Swartwoud zwoeren zelfs, dat de meerval wel eens een Albosbuffel in zijn geheel verslonden heeft.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *